LEESPLUIM VAN DE MAAND

SEPTEMBER 2006

Bang mannetje, tekst Mathilde Stein, illustraties Mies van Hout (Lemniscaat)

Het begint al op de titelpagina: boven het bed een vleermuizenmobile, eronder iets ondefinieerbaars blauw en griezelig, de poes kijkt ernaar met opgeheven staart (die poes loopt trouwens door het hele verhaal met Bang Mannetje en de lezer mee). De toon is gezet. Eigenlijk is Bang Mannetje een heel gewoon jongetje; hij zou Sander, Eric, Fouad of Dennis kunnen heten. Maar hij is bang om er iets van te zeggen als grote mensen voordringen of om zijn bloemetjesbroek te dragen, want ze zouden hem kunnen uitlachen. En als er ’s avonds iets kraakt onder zijn bed, dan zou dat wel een griezelig spook kunnen zijn. Hij wil niets liever dan minder bang zijn en om dat te bereiken neemt hij het heft in eigen handen. In de Gouden Gids vindt hij onder de rubriek ‘Hulp aan Bange Mannetjes’ het telefoonnummer van de Toverboom. Al de volgende dag is hij op weg door het wilde woeste woud. Het is maar goed dat de Toverboom hem heeft gezegd dat hij niet bang hoeft te zijn voor de wilde woeste wezens die hij kan tegenkomen: de allerverschrikkelijkste draak, de enorme harige spin en de vreselijke toverkol. Als hij dan bij de Toverboom zijn wens kenbaar maakt, is het antwoord dat hij eigenlijk al een ‘Best Wel Dapper Mannetje’ is. Het einde laat zich raden: in zijn bloemetjesbroek gaat Best Wel Dapper Mannetje naar de bakker, wijst een voordringende mevrouw terecht en koopt twee taartjes, eentje voor zichzelf en eentje voor het spook onder zijn bed. Alles wat een prentenboek aantrekkelijk maakt, is hier aanwezig: een voor kinderen herkenbaar probleem, een avontuurlijke tocht en verlossende woorden die eigenlijk bevestigen wat Bang Mannetje zonder het te beseffen al in de praktijk heeft gebracht. Dat alles in een fraaie harmonie van warme illustraties – let vooral op de Toverboom – en een heldere, geestige tekst. Eigenlijk had Bang Mannetje vier taartjes moeten kopen; de makers van het boek verdienen er ook een.