LEESPLUIM VAN DE MAAND

JUNI 2008

Ik wil een hond, tekst David LaRochelle, illustraties Hanako Wakiyama (Lemniscaat)

‘Mag ik een hond?’ In hoeveel gezinnen zal deze vraag tot vervelens toe herhaald zijn? Ook het jongetje uit dit prentenboek weet van zeuren. Op maandag vraagt hij het zijn moeder terwijl ze aan het fitnessen is, op dinsdag tijdens de afwas, op woensdag bij het strijken. Moeders antwoord varieert van: ‘Honden zijn vies, Ze maken rommel, Honden blaffen, Ze maken herrie’ tot het definitieve: ‘Ik wil geen hond in huis!’ Op donderdag, moeder zit op de bank een kopje koffie te drinken, komt de onverwachte vraag: ‘mag ik dan een draak?’ In een onbewaakt ogenblik geeft moeder het antwoord dat u misschien ook wel gegeven zou hebben in zo’n situatie, al was het maar om van het gezeur af te zijn: ‘Als je er een kunt vinden, mag je hem hebben.’ Draken liggen niet voor het oprapen, maar het jongetje vindt er een. Een lange magere draak met hoed en zonnebril. Een draak als huisdier, maar dat blijkt geen succes. Hij zet het hele huishouden naar zijn hand, tot groot ongenoegen van moeder en te oordelen naar zijn gelaatsuitdrukking is ook het jongetje er niet gelukkig mee. De draak laat zich echter niet het huis uitzetten. Dan speelt het jongetje zijn laatste troef uit. ‘Draken zijn bang van honden’ en daarmee gaat zijn moeder overstag. Zodra er zich een hond aandient, is de draak verdwenen. Moeder blij en jongetje blij. Maar let nu eens op jongetje en draak zoals ze op de voorlaatste bladzijde staan: was het doorgestoken kaart?
Het verhaal dat in de ik-vorm is geschreven, geeft kleuters volop gelegenheid zich met het jongetje te vereenzelvigen. Diens houding en gelaatsuitdrukkingen spreken duidelijke taal. En dat de frisse illustraties wellicht nostalgische gevoelens bij u oproepen, hoeft u niet te verwonderen. Denk maar eens aan de Gouden Boekjes.