LEESPLUIM VAN DE MAAND

NOVEMBER 2010

Het boeboek, tekst Imme Dros, illustraties Harrie Geelen (Querido)

Het is beslist geen alledaags gezin waarmee we in het Boeboek kennismaken. Om te beginnen de heer des huizes, de boeman. Een bezige man met een stok in de hand, zo vertoont hij zich op de eerste pagina. Zijn vrouw, de boevrouw, doet denken aan een overjarig punkmeisje. Er is ook een boebaby, maar daarover horen we pas nadat we meer weten over het boehuis dat aan het rilmeer ligt, bij de bibberbergen en bewaakt wordt door de bonte hond. Verder houden zich in en om het huis op: een oehoe, een zwarte kat, vleermuizen in de kelder en spoken op zolder. Kortom, een knus gezelschap. Maar… geen huisje zonder kruisje. De boevrouw is een schrikachtig tiepje en als ze schrikt gaat ze gillen. Ze schrikt als ze iets ziet bewegen, als ze een speld hoort vallen, als haar man met een kopje thee achter haar staat. Van de weeromstuit schrikt de boeman van haar gegil. Hij heeft geen leven meer, maar wat kan hij eraan doen? Zijn oplossing is even ingenieus als eenvoudig: ze spreken af dat ze voortaan BOE roepen tegen elkaar, dan hoeft niemand meer te schrikken. Vanaf dat moment is het een voortdurend Boe-geroep tussen boeman en boevrouw. Maar de mensen in het boebos en bij het rilmeer schrikken wl en rennen weg. De dieren en spoken gaan ervandoor, alleen de oehoe blijft. Dan koopt de boeman een stel koeien en die hebben geen enkel probleem met dat Boe-geroep. Zoals een oude zegswijze luidt: bestrijd je misval (ongeluk) door er zelf een aan te stichten. Een hilarisch verhaal dat met de illustraties een extra accent krijgt. De personages staan stevig omlijnd op het papier en je hoeft maar naar hun kleding te kijken om te weten dat je met boemensen te maken hebt. Hun gezichten vertonen een rijke schakering aan emoties: van boosheid tot vertedering, van angst tot welbehagen. Hoe kan dit boek beter eindigen dan met een vetgedrukte BOE.