LEESPLUIM VAN DE MAAND

JANUARI 2011

Een bos vol enge wilde beesten, tekst en illustraties Chris Wormell (Gottmer)

Een jongetje dat de weg zoekt in een groot bos. Zo te zien is hij verdwaald. De illustratie op de titelpagina zet de toon van het verhaal. Om dan meteen te vervolgen met een illustratie over twee pagina’s: het jongetje zit op een boomstronk somber voor zich uit te kijken terwijl van links een beer nadert. Verdwaald, een beer, een eng bos, wat gaat er gebeuren? “Ach joh, is dat alles?” zegt de beer. Hij zal het jongetje wel de weg wijzen. Maar dan komt het joch met de omineuze mededeling dat het bos vol enge wilde beesten zit en hij voegt er nog wat details aan toe waardoor de beer zich ongemakkelijk gaat voelen. Als ze even later een olifant tegenkomen, blijkt dat het angstvirus besmettelijk is en dat gaat zo door met een leeuw, een krokodil, een wolf, een python. Telkens weet het jongetje die enge wilde dieren nog afschrikwekkender te maken: ze springen boven op je, vreten je op, verpletteren je, stampen je fijn, bijten je kop eraf. De echte dieren, die tot dan toe een onbekommerd bestaan leidden, veranderen in een stelletje angsthazen dat achter het jongetje aanloopt. De avond valt en dan ineens is er een fel licht tussen de bomen en een woest gebrul. De dieren slaan op de vlucht, het jongetje loopt dapper naar voren om tot de ontdekking te komen dat er helemaal geen eng beest is, nee, het is veel erger: daar staat zijn enge wilde moeder. Boos, omdat haar zoontje tegen haar waarschuwing in toch het bos is ingegaan, tegelijk dolblij dat ze hem teruggevonden heeft. Maar waar heeft ze zich eigenlijk zo druk over gemaakt want, zegt het jongetje: “Ik heb geen enkel eng wild beest gezien.” Heerlijk toch, zo’n verhaal waarin de rollen consequent zijn omgedraaid. Wat is er mooier dan een stoer
vier-, vijfjarig jongetje dat erin slaagt met fantasieverschrikking een groep echte wilde dieren de stuipen op het lijf te jagen. Behalve voor de suggestieve illustraties van de angstige dieren verdient het boek de pluim ook voor de soepele vertaling waarin alledaagse uitdrukkingen heel vanzelfsprekend zijn opgenomen.
Een bekend gezegde luidt: een mens lijdt het meest van het lijden dat hij vreest. Het zou, met een kleine wijziging, zo van toepassing kunnen zijn op dit boek. Klonk het in de Fabeltjeskrant al niet: ‘ want dieren zijn precies als mensen.’