Interviews

Interview: Hoe Hilde Van Cauteren een verhaal vond in een kruidenwinkeltje

01-12-2016

Haar derde jeugdroman De nachtspelers gaat over dromen en bedrog. Bea Ros praat met Hilde Van Cauteren over de magie van verhalen bedenken en schrijven.



Foto: Joost Bataille
Al je boeken zijn een mix van historisch en magisch realisme. Waarom kies je daarvoor?
Er zijn al zoveel goede hedendaagse probleemboeken, daar hoef ik niets meer aan toe te voegen. Het verleden past bovendien goed bij mijn verhalende stijl. Historische verhalen zijn ook minder snel gedateerd, een mobieltje wordt een smartphone, maar koetsen blijven koetsen. In de wereld van vroeger stel ik wel graag hedendaagse thema´s aan de orde. In Het naveltheater is dat de vraag naar de gelijkheid tussen meisjes en jongens, De pigmentroute gaat over vluchtelingen en De nachtspelers over populisme. En natuurlijk over privacy, daarom heb ik de zakenman in mijn boek als symbool die opgestoken duim gegeven.

Dat is de werkelijkheid, wat doet de fantasie daartussen?
Ik vind het heel fijn om me te begeven in een wereld waarin fantasie kan zijn. Ik ben ook een enorme fan van Gabriel Garcia Marquez, zijn boeken hebben ook altijd een magisch tintje. In De nachtspelers kunnen mijn hoofdpersonen Etta en Matheo bijvoorbeeld dromen maken. Ik hoop dat ik de lezer voor de duur van het verhaal mee kan nemen in die fantasie.

Hoe ontstaat een verhaal bij jou?
Het begint bijna altijd met een personage. Het idee voor De nachtspelers is bijvoorbeeld ontstaan in een obscuur winkeltje in Frankrijk waar ze allerlei kruiden verkochten. Bij eentje stond: dit helpt tegen kanker. Dream on, dacht ik. En meteen erna: een winkel waar je dromen kunt kopen, dat is wel iets voor een verhaal. Een droom is leuk, maar een nachtmerrie is nog spannender. Matheo bezorgt mensen zoete dromen, Etta verkoopt nachtmerries. Dan bedenk ik dat een slagerij, met al dat bloed en dode beesten, wel een mooie omgeving is om nachtmerries te verkopen en een naaiatelier de plek waar mooie dromen gemaakt worden. Vervolgens ga ik op internet op zoek naar foto´s van mensen die ik bij mijn hoofdpersonen vind passen. Bij Etta dacht ik aan een Spaans meisje, met donker haar en felle ogen, voor Matheo koos ik een foto van iemand die beroemd bleek, de acteur Eddie Redmayne, een zachte jongen met een dromerige blik. Oswald Feyn is een ouderwetse foto van een knappe man in een pak. Ik plak de foto´s in een boek en schrijf er eigenschappen bij. Dan bedenk ik bijvoorbeeld dat Matheo homoseksueel is. Dat is handig in het verhaal, want dan kan ik ze beide verliefd laten worden op Feyn. Ik vind het ook fijn om zo´n element erin te stoppen zonder er een issue van te maken.

Met wie voel je je het meest verwant, met Etta, Matheo of Oswald?
Mijn jongere ik is het meest verwant met Matheo. Ik was vroeger een dromer die de wereld wilde veranderen, mooier wilde maken. Tegenwoordig lijk ik meer op Etta. Ik kan heel begripvol zijn, maar soms denk ik ook: mensen, kom op, zeur niet zo. In mijn boek kan ik haar de dingen laten zeggen die ik zelf wel eens denk, maar waarvoor ik te beleefd ben om hardop te zeggen.

Welk van beide gaves, de zoete dromen of de nachtmerries, zou jij het liefst hebben?
Ik zou het maar liever niet hebben. Zo´n kracht mag eigenlijk niemand hebben. Je denkt natuurlijk: ja, maar ik ga die gave alleen ten goede gebruiken, maar dat ontspoort altijd. Ik overtuig mensen liever met woorden dan met magie. Trouwens, is het maken van nachtmerries magie of bedrog? Ik had tijdens het schrijven wel eens het gevoel dat Etta in mijn oor fluisterde: maar Hilde, dat geloof je toch zelf niet?

Is schrijven ook een beetje magie?
Ja! Het leukste is het verzinnen. Het minst leuke is alles zo op te schrijven zoals je het in je hoofd hebt bedacht. Daarvoor heb je een flinke tube lijm nodig om op je stoel te smeren en dan te gaan zitten schrijven. Ik schrijf niet van begin naar eind, maar in losse scenes. Een aantal oerscenes heb ik al heel snel. Een zo´n oerscene is de eerste ontmoeting tussen Etta en Matheo, die heb ik twee keer beschreven, vanuit ieders perspectief. ‘Wat een sukkel´, denkt Etta dan. Zij deelt de mensheid in in sukkels en bedriegers. Laatst gaf ik een lezing op een school en kwam een jongen naar me toe: is het niet beter een sukkel te zijn en gelukkig dan een bedrieger? Ik antwoordde dat er volgens mij nog veel meer soorten mensen zijn. Ik vond het wel mooi om te horen hoe lezers daarover nadenken.

Wanneer ben je begonnen met schrijven?
Met gedichten was ik al vroeg bezig. Ik schreef eerst van die gezwollen en pathetische gedichten. Dat is later wel beter geworden, geloof ik. Ik heb geleerd dat een gedicht niet bestaat uit grootse gedachten en verhalen, maar juist om het beschrijven van kleine details. Als jong kind wilde ik ook al verhalen schrijven, alleen had ik toen het geduld nog niet. Het hoofdpersonage uit De pigmentroute, een meisje met voeten waarop een routekaart verschijnt die ze moet volgen, bestaat al dertig jaar, alleen het verhaal ontbrak. Op een gegeven moment heb ik meegedaan aan de Nano, de National Novel Writing Month, dan ga je met jezelf de uitdaging aan om in een maand 50.000 woorden te schrijven. Mijn fout was altijd, zoals veel mensen hebben, om telkens weer opnieuw te beginnen, maar de truc is juist om gewoon door te blijven schrijven tot je in een flow komt. Dan kun je later altijd nog weer dingen verbeteren. Zo is mijn eerste boek, Het naveltheater, ontstaan.

Je geeft ook schrijfworkshops. Wat is je belangrijkste les of tip?
Zet de poort naar je fantasie open. Cursisten vragen vaak: mag dit? Mag dat? Ik zeg altijd: het is jouw verhaal, jij bepaalt wat kan en mag. We hebben fantasie en verhalen heel hard nodig. Niet alleen om te ontsnappen aan de wereld, maar juist ook om ermee om te kunnen gaan.

Hier kun je meer lezen over het leven en werk van Hilde.